Italië


 

Italië is eigenlijk vele wijnlanden in één. Het land is een soort lappendeken van (wijn)staatjes die ook in politiek opzicht nog niet eens zo lang een eenheid vormen. Het klimaat is gevarieerd en het aantal inheemse druivenrassen is groot. Door al die verscheidenheid is Italiaanse wijn misschien wat lastiger te doorgronden, maar ook heel boeiend.

 

Wijnbouw

Op dit moment is Italië het op één na grootste wijnexportland ter wereld en telt het in totaal zo’n 750.000 hectare wijngaarden. Die zijn door het hele, 1200 kilometer lange schiereiland heen te vinden: van Piemonte in het noorden tot Sicilië in het zuiden. Het klimaat van Noord-Italië is in grote lijnen continentaal, terwijl dat van Midden- en Zuid-Italië mediterraan is.

 

De wijnbouw vindt vooral plaats op hellingen. Italië is dankzij de Alpen en vooral de van noord naar zuid lopende Apennijnen een bergachtig land, waar de vlakkere delen grotendeels gereserveerd zijn voor andere landbouw. De hoogte waarop wijnstokken staan aangeplant heeft invloed op het lokale klimaat; dat kan per wijngebied (en ook binnen een wijngebied) sterk wisselen. De bodems in de beste wijngebieden bestaan voornamelijk uit kalkhoudende grond (zoals in Piemonte) en vulkanische grond (zoals in Soave en op Sicilië).

 

Kwaliteitsindeling

De kwaliteitsindeling van Italiaanse wijnen is gebaseerd op hun geografische herkomst. De laagste kwalificatie is de IGT (Indicazione Geografica Tipica). Dan volgt de DOC (Denominazione di Origine Controllata), waarbij de wijn uit een specifiek gebied moet komen en voldoen aan bepaalde regels voor de productie. Hoogste categorie is de DOCG (Denominazione di Origine Controllata e Garantita). Hiervoor moet de wijn voldoen aan alle eisen voor een DOC en daarnaast in het productiegebied gebotteld zijn. Ook wordt DOCG-wijn extra op kwaliteit getest.

 

Romeinse topwijnen

De Grieken en Etrusken brachten de wijnstok Italië binnen en in de derde eeuw v.Chr. was er al over de hele lengte van het schiereiland wijnbouw te vinden. De opkomst en bloei van het Romeinse rijk gaf de wijnbouw en wijnexport vervolgens een flinke boost. Ook toen al waren er wijnen met een specifieke herkomst die bekend stonden als topwijnen.

 

Middeleeuwen: wijnbouw maakt winst

In de vroege middeleeuwen stagneerden handel en economie, maar de wijnbouw bleef overeind en met de ontwikkeling van handelssteden als Florence werd Italiaanse wijn in de hoge middeleeuwen een gewild luxeartikel voor rijke kooplieden. Vanaf de dertiende eeuw hoorden druiven zelfs tot de meest winstgevende landbouwproducten. Er was een grote lokale markt en er werd druk geëxporteerd. Rond de late middeleeuwen begint de focus te liggen op druivenrassen die nu nog steeds een belangrijke rol spelen in de Italiaanse wijnbouw, zoals nebbiolo, sangiovese, trebbiano, greco en aglianico.

 

Politieke verwikkelingen

Waar vanaf de zeventiende eeuw in andere Europese landen wijn steeds meer in flessen werd verhandeld, bleef Italië zijn wijn vooral in bulk verkopen. Ook andere moderniseringen in handel en landbouw gingen (grotendeels door politieke verwikkelingen) aan het land voorbij, en de wijnen stonden in de achttiende en negentiende eeuw steeds minder goed bekend.

 

Moderne tijd: Italiaanse wijn toonaangevend

Pas eind negentiende eeuw – nadat Italië in 1861 één staat was geworden én na de heftige verwoestingen die de druifluis niet lang daarna aanrichtte in wijngaarden door heel Europa – begonnen de moderne Italiaanse wijnen te ontstaan. Barolo bijvoorbeeld was oorspronkelijk een zoete wijn en Amarone bestond nog niet. Italië bleef echter een relatief arm land. Na de Tweede Wereldoorlog ontstond er eindelijk een serieuze economische groei en daarmee ook een binnenlandse markt voor goede Italiaanse wijn. Sindsdien is Italië zich aan het ontwikkelen als toonaangevend wijnproducerend land, waar enkele van de beste wijnen van de wereld vandaan komen. SunSunSunSunSunSun